De Optimist Zeiltrimgids
Het eerste wat je je moet realiseren is dat er geen magisch recept bestaat. De beste trim is niet alleen afhankelijk van de wind en golven maar ook van het gewicht en de (vaar)vaardigheden van de zeiler. Constant zal de zeiltrim aangepast moeten worden aan de veranderende condities waar je in zeilt om de snelheid maximaal te houden. Laten we eerst eens kijken welke trimmogelijkheden we hebben.
De spriet De spriet is een trimcontrole die we erg veel gebruiken met name ook op het water en gedurende een wedstrijd. Allereerst is het noodzakelijk om de sprietstand aan te passen om vouwen in het zeil weg te werken die van de top van de mast naar het eind van de giek lopen, als de spriet te los staat, of vouwen die lopen van de top van de spriet naar de mast, als de spriet te strak staat. Dit maakt de mogelijkheden van de spriet wat beperkt en sterk afhankelijk van hoe het zeil er uitziet, een klein vouwtje loodrecht op de spriet is niet erg. Één ding is erg belangrijk om te begrijpen, de stand van de spriet heeft erg veel invloed op de vorm en de spanning van het achterlijk! Dit geldt met name bij lichte en zware wind. Aanbevolen; houd het zeil zonder vouwen, in licht weer stellen we de spriet in op de lage windsterkte waardoor de spriet in de vlagen iets te los staat, dit om te voorkomen dat de spriet te strak komt te staan want dat remt enorm!
De neerhouder De neerhouder controleert de spanning op het achterlijk maar alleen bij ruime en voor de windse koersen! Bij aan de windse koersen staat er geen spanning op de neerhouder, de spanning op het achterlijk wordt dan door de schoot gecontroleerd. Behalve bij krachtige wind wanneer de neerhouder wel aangespannen staat om de vorm in het zeil te houden wanneer de schoot gevierd wordt.
De onderlijkstrekker (outhaul) De onderlijkstrekker bepaalt de algehele vorm van het zeil, vlakker of boller, maar ook deels de spanning op het achterlijk samen met de spriet. Met het aantrekken van de onderlijkstrekker open je ook het achterlijk. Daarom trim je eerst de onderlijkstrekker en daarna de spriet! Wanneer we de aan de windse snelheid willen optimaliseren is dit een belangrijke trimcontrole die op het water makkelijk kan worden aangepast aan de omstandigheden. Aanbevolen; de vouwtjes die van de giekzeillijntjes naar boven lopen mogen niet boven de giek uit komen.
De topneerhouder en pinstopophaler Deze bepalen samen de spanning op het voorlijk. De topneerhouder (schuine lijntjes bij het vaantje) bepaalt de voorgeschreven hoogte van het zeil en houdt het streepje op het zeil tussen de streepjes op de mast. De pinstopophaler trim je door één tot vijf draaien in het lijntje aan te brengen met de bedoeling de spanning op het voorlijk te regelen. Bedenk goed hoe je de spanning op het voorlijk met elkaar communiceert. Minder pin-stop, wat betekent minder draaitjes in het lijntje, betekent meer voorlijk spanning. Meer pin-stop betekent minder spanning op het voorlijk. Over het algemeen spreken optimist zeilers in termen van de pin-stop en niet over spanning op het voorlijk. Deze link leggen ze pas later. Je kunt als trainer de link wel regelmatig leggen, als je maar constant in de juiste termen blijft spreken.
De schoot De schoot bepaalt allereerst de stand van het zeil, maar de schoot bepaalt bij de aan de windse koersen voor een groot deel de spanning op en daarmee de vorm van het achterlijk!
De zeillijntjes De zeillijntjes (knuttels) zijn tijdens de wedstrijd niet meer te trimmen, daarom is het heel belangrijk deze op het land goed te trimmen, hier wordt veel te weinig aandacht aan geschonken! Toch kan met deze trimmogelijkheid extra snelheid verkregen worden. De klasseregels bepalen dat de afstand tussen zeil en mast/giek niet meer mag zijn dan 10 mm, de afstand zal gewoonlijk tussen 2 en 8 mm liggen. Het voorbereiden van de trim op de kant Natuurlijk zal de laatste fijne trim op het water moeten gebeuren. Bij het opzetten van het zeil gaan we uit van de condities waarin we verwachten te zullen varen.
De stand van de mast Uitgedrukt in de afstand tussen de top van de mast en achterrand van de boot bedraagt deze tussen 278 cm tot 286 cm, aanpassen van de afstand heeft geen invloed op de snelheid, maar wel op de spanning op het achterlijk. De mast meer voorover (2.82 meter en hoger) betekent meer spanning wanneer de schoot op dezelfde stand wordt gezeild. Hierdoor gaat het achterlijk meer dicht staan. Met hardere wind kan dit handiger zijn voor zwaardere zeilers die de boot beter kunnen houden en daardoor ook hoger kunnen. De mast achterover (onder 2.80) betekent minder spanning op het achterlijk, waardoor het achterlijk beter opent. Dit is met licht weer makkelijker zeilen. Uiteraard lijkt dit ook zo te zijn voor hardere wind, maar met het naar achter hellen van de mast wordt de boot ook loefgieriger, wat jonge zeilers vaak niet goed kunnen handelen. In deze situatie kan vaak beter gekozen worden voor een positie meer voorover met minder sprietspanning. Uiteindelijk is het wel zaak om een zo lekker mogelijke zeilende stand te vinden en daarna geen grote aanpassingen meer te doen. Een klein beetje voor of achterover is al voldoende. Meet wel regelmatig de maststand, want met het vervoer trilt de mastvoet nogal eens los.
De zeillijntjes Hoewel een groot deel van de zeilers de zeillijntjes nooit aanpast is dit niet terecht ! Het is wel degelijk mogelijk met de trim van de zeillijntjes een nog betere trim te krijgen en daarmee meer snelheid. Alle zeilen hebben een voorgesneden kromming in het voorlijk welke de bolling van het zeil bepaalt. De zeillijntjes aan de mast hebben dus grote invloed op de bolling van het zeil. Met veel wind buigt de mast ook afhankelijk van de stijfheid van de mast, ook dit kan aanpassing vragen aan de kromming van het voorlijk. In licht weer worden de zeillijntjes aan de onder en bovenzijde van het voorlijk losser gezet tot 8 mm waardoor er meer bolling in het zeil ontstaat. Met matige wind als de mast iets buigt zetten we de lijntjes op 2 mm. Met erg veel wind kan het middendeel van het voorlijk losser gezet worden om het zeil vlakker te trimmen. De zeillijntjes aan de giek laten we met name in het middendeel erg los, niet meer dan 10 mm. De lijntjes aan de uiteinden van de giek moeten zo los zitten dat het zeil erg makkelijk van kant kan wisselen. Veel zeilers en ouders lijmen de knuttels vast met het doel dat ze dus niet meer los kunnen komen tijdens het zeilen. Daarmee vervalt dus de mogelijkheid om te trimmen. Als je altijd goede lijn gebruikt (harde dunne lijntjes) en deze 2 keer om de mast of giek slaat en vastzet met een platte knoop, komen ze niet meer zo gemakkelijk los. Extra knoopjes op de platte knoop zijn niet nodig. Ze trekken alleen de platte knoop maar los. Je moet natuurlijk wel regelmatig controleren of de knuttels nog goed zitten, maar dat hoort bij een goede trim.
Tophoeklijntjes Het is erg belangrijk deze lijntjes op de kant goed in te stellen, op het water is dit ondoenlijk. Als we de lijntjes bevestigen letten we erop dat het bovenste lijntje evenwijdig aan de mastrand loopt, de markering staat dan altijd tussen de markeringen op de mast. De afstand van zeil en mast wordt bepaald door de trim van de zeillijntjes, zie boven. Het tweede schuine lijntje weerstaat een groot gedeelte van de spanning op de spriet en moet dus degelijk worden geknoopt anders wordt het zeil door de spriet omhoog getrokken. Het is handig om de tophoeklijntjes buiten op de mast te knopen, en niet het knoopje in de busjes die in de mast gaan te duwen. Als je het lijntje dwars door de busjes heen steekt en vervolgens buiten op de mast de knoop legt, dan kan op het water makkelijker gesteld worden. Het systeem zit dan net zo goed vast als normaal. De verdere trim zal op het water verder bijgesteld moeten worden. Licht weer 0-8 knopen en vlak water. Op vlak water willen we een zeil met het vermogen om scherp aan de wind te kunnen varen!
Licht weer 0-8 knopen en “chop” golfjes. Hoe hoger de golfjes hoe belangrijker het is om de trekkracht (power) van het zeil te verbeteren. Elke keer als de boot tegen een golf invaart wordt hij afgeremd en moet de boot zo snel mogelijk weer op snelheid komen. Hier is de plaats van de bolling van het zeil erg belangrijk! Als we de bolling iets naar voren verplaatsen neemt de power van het zeil toe (maar vaart minder scherp aan de wind).
Matige wind 9-17 knopen Als de wind toeneemt moeten we de neerhouder en de spriet iets aanhalen. Vaak hebben we golven bij deze wind en hebben we een zeil nodig met genoeg power om door en over de golven te komen. Vaak moet je eerst snelheid maken om daarna hoger aan de wind te kunnen gaan zeilen. Daarom werkt het vaak niet om in deze omstandigheden het zeil vlakker te maken om scherper aan de wind te kunnen varen.
Zware wind 18+ knopen Het allerbelangrijkste is om de boot vlak te blijven varen bij aandewindse koersen. Als we de boot laten overhellen wordt de boeg van de boot naar loef gedrukt. Om de loefgierigheid te compenseren moet dan continu tegenroer gegeven worden, dit remt enorm en je komt niet op snelheid. In deze omstandigheid hebben we een vlakker zeil nodig. Je moet je realiseren dat de bolling in het zeil zich verplaatst naar de plaatst waar de meeste spanning wordt aangebracht, naar voren als het voorlijk wordt aangespannen naar onderen als het onderlijk wordt aangespannen en naar achteren als het achterlijk wordt aangespannen.
De optimale zeiltrim Hoe krijgen we het beste uit het zeil? De optimale zeiltrim hangt natuurlijk ook af van je gewicht en je vaartechniek en-mogelijkheden. Er is maar één manier om hier achter te komen en dat is uitproberen. Test je boot uit tegen een gelijkwaardige zeiler en verander telkens maar één ding aan je zeil en probeer dit diverse malen uit. Daarna kun je besluiten of dit een zinvolle verandering is. Vergelijk dan regelmatig je bootsnelheid met de ander bv iemand van je eigen team en blijf zoeken naar de optimale trim en Topspeed. Veel succes!
Opvallende tips van de Olimpic Sails Tuning Guide
Download Optimist Zeiltrimgids
|